(UA-31898617-1)60035425 Sint-Pieter,Langdorp,Gijmel,Wolfsdonk,Aarschot,godsdienst,religie,gemeenschap,

2021VroegerPersHygiŽneKleding

TERUG 
VERHALEN VERBINDEN PLATTELAND  2

Hoe het vroeger was...

Persoonlijke hygiëne

Hoe schoren de mannen zich?

Frans vertelde dat zijn vader, toen hij al niet zo jong meer was, voor zichzelf een scheermachine gekocht had, een Philips (dat waren volgens Frans de beste). Hij gebruikte dat apparaat ook en heeft zelf nooit een scheerborstel gebruikt. Theofiel beschreef hoe je borstel en krabber (scheermes) gebruikte. Met een natte scheerborstel wreef je over de scheerzeep, die had de vorm van een ronde staaf. Als de borstel te droog was, moest je die in een potje met water soppen. Het schuim droogde snel, men moest dus regelmatig wat bijwerken. Het scheermes werd afgestreken op een blad papier. Bijna iedereen had zijn eigen scheermes. Met het scheermes werd ook de hals uitgeschoren. Een goede spiegel was wel belangrijk.

Er waren twee soorten krabbers in gebruik, de korte op een stokje (Gilette) en de lange vorm die meer door kappers gebruikt werd (een schaas). Deze laatste moest regelmatig geslepen worden. Dat deden ze soms op een houten trap (?) of tegen een stenen muur (nu wordt dat soms nog gedaan). Men moest geen speciale wetsteen hebben, maar die bestonden wel. (Nota J.B.: Het beste om een schaas te wetten, was een leren riem die speciaal daarvoor bestemd was. Die hing aan een haakje Het onderste einde werd met één hand vastgehouden en met de andere sleep men de schaas tot ze perfect scherp en glad was).

Ging men regelmatig naar een kapper/kapster?

Mannen gingen soms naar een kapper. Een bekende kapper in Aarschot was Fik coiffeur (Victor Nijs) in de Jozef Tielemansstraat. Fik deed alles: kop wassen, haar knippen en scheren. Theofiel ging één keer per maand, meestal enkel om zijn haar te laten knippen. Hij woonde in Rillaar, maar dichter bij Aarschot dan bij Rillaar dorp en kwam met de fiets naar Fik. Volgens hem waren er in Rillaar toen geen kappers. Naar de coiffeur ging men niet dikwijls want dat kostte te veel. De moeders sneden dikwijls zelf het haar bij de kinderen. Of: ‘den ene deed dat bij den andere’. Als man had men niet veel keus: een bros of iets langer. Met briljantinlegden de mannen hun haren schoon plat. Volgens Theofiel gebruikten ze later ook wel eens haarlak. Madeleine vertelde dat toen haar man een kind was men hem een pots (muts of pet zonder klep) opzette en dan knipte men het haar dat er onderuit kwam.’

Afbeelding invoegen

Toinke (Antoon) Van Wesemael knipte haren in zijn café aan de kerk in de Gijmel. (waar nu trouwens nog café is). ‘s Zondags gingen de mannen daar al eens binnen om iets te drinken, hun haar te laten knippen en hun baard te laten afdoen. Julleke Weckhuysen had café in Langdorp-dorp. Daarnaast was hij ook coiffeur en maakte hij kostuums.

Fokke en Bekke van den Torre (Fons en Albert Lemmens, den Torre was hun vader) waren waarschijnlijk de eerste mannelijke coiffeurs die een diploma behaald hadden. Zowel mannen als vrouwen konden bij hen terecht. In de Gijmel had je ook zeker twee kapsters: Lyn van de Boerre (Evelina Luyten) en haar zus Annie, de vrouw van Bekke Lemmens.

Wat deden vrouwen met hun haar?

Tuurke De Ruyter in Aarschot aan de kerk zette al voor de oorlog permenanten. In de school mocht je geen permenant hebben. Als je er toch een laten zetten had voor bv. je plechtige communie, stak zuster Prima (school van Langdorp) je hoofd onder de pomp om de permenantweg te krijgen.

Julia zei dat er voor een permenantklemmen op de krulspelden gezet werden. Die klemmen stonden op een machine om heet te worden, ze waren niet alleen heet, maar ook zwaar. Er moest nog iets ondergestoken worden om je hoofd niet te verbranden. De krulspelden waren van metaal. Je moest met spelden en klemmen

een tijd blijven zitten.

Afbeelding invoegen

Om krullen in je haar te leggen kon men ook een krultang gebruiken. De tang moest warm gemaakt worden. Voor er elektriciteit was, gebeurde dat op de stoof. Het haar werd daar dan tussengerold. Papillotten werden op een stokje opgedraaid en dan deed men daar een rekske over. Men gebruikte bier om de papillotten langer te houden. Papillotten werden gezet met feesten en speciale gelegenheden. Moeder rolde de papillotten in, wat een heel werk was. Het was een pijnlijke zaak om daarop te slapen. Maar zoals José zei: ‘Hovaardij moet pijn lijden’.

Men liet het haar niet te lang worden. Het merendeel van de meisjes had korte haren, een calot (= tot op de schouders). Vrouwen vroegen bij de kapper meestal om haren te knippen of een permenant. Er waren nog geen boekskesmet kapsels om uit te kiezen. Het haar werd niet gekleurd, dat bestond in onze tijd nog niet. Ook droogkappen waren er nog niet. Toen Madeleine 17 jaar was (in 1943) had ze een bos haar zoals later Zwarte Lola!

Zeep

Het haar werd gewassen met Sunlightzeep. Er was niets anders. Echte shampoo bestond nog niet. Het haar werd iedere week gewassen. Er werd dan ook gecontroleerd of men geen luizen had. Met een fijn kammeke werden boven een spiegel de haren uitgekamd, de luizen werden dan op de spiegel platgeduwd! Als er nog neten achterbleven, waren dat de volgende week ook luizen. Men probeerde die neten dus ook al te verwijderen. Als er iemand in de school luizen had, kreeg iedereen er.

Met Sunlight werd gekuist en de was gedaan. Men sneed de zeep in schilfers en die werden dan opgelost in warm water. Een zeepklopper kende men niet. Je waste jezelf ook met Sunlightzeep. Een bad bestond niet, men waste zich in ne basseng, iedereen in hetzelfde water. Stromend water was er evenmin. Ook de wasketels werden gebruikt als bad (de stang werd er dan uitgedaan). In de winter waste men zich voor de kachel, maar ook in de stal ‘op de ben’ (het ‘geplaveid’ deel van de stal). In de stal was het warmer omwille van de aanwezige dieren. Bij Madeleine hadden ze geen ben in de stal. Toen de meisjes wat groter waren, werd bij hen de waskuip in het kippenhok gezet, om de jongens niet op slechte gedachten te brengen!

Zeepbakjes werden niet gebruikt. Een lampetset om je te wassen was voor het rijk volk en diende dan meestal nog alleen als decoratie. Die stond op de slaapkamer om te laten zien dat men zoiets had.

Afbeelding invoegen

In De Witte van Ernest Claes wordt het volgende beschreven: ‘de Witte plonsde met zijn twee handen in de emmer, schepte dan zijn twee handen vol water, en wreef daarmee over zijn gezicht. Met de droge tip van de handdoek wreef hij daarna over zijn kaken dat ze er rood van glommen.’ Deze manier van wassen is voor iedereen herkenbaar!

Make-up en geurtjes

Eau de Cologne bestond maar het was zeker geen algemeen gegeven dat vrouwen parfum gebruikten. In de sjakosj van Maria zat wel altijd een flesje Eau de Cologne. Zij vertelde ook dat er op Leuven kermis soms kleine flesjes uitgedeeld werden. Die hielden ze dan goed bij. Er werd nog niets van make-up (poeder, lippenstift) gebruikt. Er bestond wel iets voor de gesprongen lippen. Ook ‘aftershave’ bestond nog niet in onze jonge tijd. In de jaren ’50 is dat allemaal opgekomen. 

Zakdoeken en handdoeken:

Handdoeken waren meestal blauw met wit geruit. Later kwamen er mooiere, sponsachtige, die waren goed mals. In het bakhuis hing achter de deur vaak een handdoek die gemaakt was van een versleten manshemd. Bij het binnenkomen kon men de handen dan al direct wassen en afdrogen. De ‘goede’ handdoeken werden enkel gebruikt voor speciale gelegenheden, als er iemand ziek was bijvoorbeeld. Er werd in die tijd zeker niet veel weggesmeten. Uit de beste stukken van een versleten handdoek werden washandjes gemaakt.

Er was wel een verschil tussen mannen- en vrouwenzakdoeken. Die van de mannen waren meestal rood of blauw met witte bollen. De zakdoek werd soms ook rond de hals geknoopt om het zweet aan af te kuisen. Zakdoeken werden ook gemaakt van een versleten laken. Dan waren ze dus meestal effen wit. Het maken gebeurde o.a. in de school: de randen werden omgeplooid, gedriegd en dan met de hand omgenaaid. De zondagse zakdoeken werden meestal gekocht. Niet iedereen had altijd een zakdoek, men gebruikte ook wel zijn arm om zijn neus af te vegen!

Kledij

Hadden jullie veel kleren?

Veel kleren hadden de meesten niet. Ze hadden één zondags kleed. De rest waren werkkleren. Als zondagse kleren versleten waren, deed men ze in de week aan.

Maakte men die kleren zelf of liet men ze maken? Werd kledij opgelapt en doorgegeven aan kleinere broer/zus?

De kleermakers in Langdorp en de Donk waren de broers Jules en Albert Weckhuysen Voor Wolfsdonk had je op de Wolfdonksesteenweg (kort tegen de dorpskern) de gebroeders Luyten Firmin en War (van de luie) dicht naast mekaar Firmin maakte bijvoorbeeld het trouwkostuum voor de man van Madeleine. De naaisters waren: Celinneke Beylemans (Dorp Langdorp), Treske Serneels tegenover de kerk in Langdorp), ? Van Braekel (tegenover de kerk van Wolfsdonk). In Aarschot had je een naaister op de Koemarkt op de hoek. Op ’t Schaluin had je Paulien Tuerlinckx. Madeleine haar communiekleed was daar gemaakt en voor haar communie heeft ze van die naaister nog een doosje met een schaartje en naaigerief gekregen. Kleren werden opgelapt (zeker als moeder kon naaien) en doorgegeven.

Had iedere man een zondags kostuum?

Sommige mannen, maar niet allemaal, hadden een zondags kostuum. Naar de kerk ging men in hemd en vest. Als ’t koud was hadden ze ook een overjas.

Hadden de kinderen ook zondagse kleren?

De kinderen hadden ook een ’s zondags kleedje. De meeste moeders maakten dat zelf. De ene kon dat al beter dan de andere. Sommigen kochten ook kleren voor de kinderen. Je kon gemaakte kleren kopen in Aarschot op de markt of in de winkel, niet in Langdorp.

 Korte of lange broeken?

Kleine jongens droegen meestal een korte broek. Vanaf de communie werd dat een lange. Meisjes mochten geen lange broeken dragen. Korte of lange broek was soms ook afhankelijk van het weer of van de omstandigheid. Zo mochten jongens in de kerk wel een korte broek dragen (en dus blote benen laten zien), meisjes mochten niet met sokken rondlopen, maar moesten altijd langere kousen aandoen. Hun benen mochten niet onbedekt zijn.

Droegen alle volwassenen schoenen? Was er een schoenmaker in ’t dorp of alleen in de stad? Waar kocht je je schoenen? Bestonden er al schoenwinkels of moest je naar een schoenmaker?

De meesten hadden één paar schoenen, maar toch niet iedereen en zeker niet in de oorlog. In de winter werden liefst klompen gedragen (lage klompen met leer over). Klompen zijn warmer. Frans droeg altijd klompen. Om ‘s zondags naar de kerk te gaan droeg men schoenen als men die had. Sloefkes voor in huis waren er bijna niet. Als ge dat hadt, dan hadt ge al veel. In Aarschot aan de Hoogbrug bestond een schoenwinkel: schoenwinkel Frederickx. Hij maakte en verkocht schoenen. Op de markt kon je ook schoenen kopen. In Wolfsdonk had Louis Alaerts (de Witte Schoen) een schoenwinkel en die repareerde schoenen. Zijn broer Fons (Fokke Schoen) had echter een fietsenwinkel,

Wat droegen mannen op hun hoofd?

De mannen droegen veel een pots. Deze was zwart of donkerblauw, rond, zonder klep. (zoiets als de muts van de Basken!) Een pet (klak) was stijver van materiaal (gevoerd) en had een klep.

Wat droegen vrouwen op hun hoofd? Een neusdoek of een hoed?

Vrouwen droegen veelal een neusdoek, zowel in de week als ’s zondags. Voor ’s zondags was dat wel dikwijls een mooiere. Om naar de kerk te gaan droegen vrouwen ook vaak een hoed, maar niet iedereen had er een. In de kerk moesten vrouwen hun hoofddeksel ophouden, mannen niet.

Kleding voor speciale gelegenheden: werden er altijd communiekleren gekocht en waar haalde men ze?

Niet alle communicanten hadden een lang wit kleed. Bij Madeleine in de groep had alleen de dochter van Marie Zonschoon wit kleed. De rest had een gekleurd kleed, Madeleine zelf  had een roos. Achteraf kwamen de Jezuskleren en toen droeg iedereen hetzelfde. De jongens droegen meestal een kostuum. Theophiel had een kleermaker in de familie en die maakte zijn communiekostuum.

Als geschenk kreeg de communicant meestal een (dikke) missaal. Je kon die kopen bij de nonnekes. Soms kocht peter of meter dit, maar soms werd het ook door de ouders gekocht. Je moest die dan mee naar de mis nemen. Sommigen hebben hun missaal nog, maar niet iedereen had er een. Voor de communiefoto had de fotograaf er meestal een die je dan even kon vasthouden. Het communiekleed werd dikwijls in de familie doorgegeven aan jongere kinderen. In de processie met de kermis werd het ook gedragen, men was daar dan fier op. Wie geen wit communiekleed had, kreeg een processiekleed van de nonnekes. Frieda had een kleedje met korte mouwen en die mocht daarom niet meegaan met de processie.

Werden er nog slaapmutsen gedragen?

Veel vrouwen hadden vroeger een slaapmutsje op, maar in onze tijd, was dat al niet meer de gewoonte. Mannen droegen dit niet.

Onderkledij?

Mannen droegen vaak een lange onderbroek. In de winter op de fiets was dit warm. Vrouwen droegen over het algemeen onderkleedjes, die bestonden in alle kleuren, of onderrokken zodat men niet door de kleren kon kijken. Mannen én vrouwen droegen hemdjes. De hemdjes van de vrouwen waren lang zodat men die bij in de onderbroek kon stoppen. Snelzeikers waren van de vorige generatie. Niemand van de aanwezigen heeft dat nog gedragen of op de wasdraad te drogen zien hangen. Beha’s bestonden maar werden nog niet veel gedragen, zeker niet toen zij jong waren. Als de meisjes al wat borsten hadden, speldden de nonnekes voor het turnles de hemdjes vast onder de borsten, dan hingen die ‘een beetje vast’.

Werden er mutsen en sjaals gehaakt, gebreid of gekocht?

De schoolmeisjes droegen dikwijls een wit gecrosteert (gehaakt) kraagje op hun schort. Mutsen en sjaals werden gebreid (gestroekken) of gehaakt. Kleine kindjes droegen altijd een mutsje. In de winter hadden de kinderen een muts om naar school te gaan. Men moest te voet door weer en wind naar school, een muts was dus heel welkom.

Bestonden er kleren uit één stuk of was het meestal rok + bloes/vest?

Er werd meestal een kleed gedragen. Maar als ’t koud was, eerder een rok.

De vrouwen droegen een korset. Waar werd dit gekocht?

Korsetten e.d. kon je kopen bij Nonaerts (Noyaerts?) in de Martelarenstraat en bij Clemmeke Janssens in Langdorp. Die had een witgoedwinkel (verkocht korsetten, hemdjes, …).

Schort voor het werk?

De vrouwen droegen een schort met binders om te werken, meestal een donker blauwe. In de klas werd een zwarte voorschoot gedragen. Clem maakte die. In de zomer was dit een katoenen geruite. Die moest gestesseld (gesteven) en gestreken zijn, de zwarte niet.

Hoe waren de kousen?

Er werden witte kousen tot onder de knie gedragen. Deze kousen hadden dikwijls floskes op de rand. Gebreide kousen konden zo lang zijn dat men ze aan het korset kon vastmaken met jartellen. Leonie Verbeeck breide kousen met een rondbreimachine. Rosa en Liza Verbiest breiden kousen en pulls, ook met een machine. Kousen werden soms gestolen als ze op de wasdraad te drogen hingen.

Bestond de streekdracht nog? Hebben jullie dat nog gezien?

De oude streekdracht is van de vorige generatie. Sommigen hebben het als kind nog gezien. Roza heeft nog iemand gekend met een cornetmuts, ze was versierd met parels.

Afbeelding invoegenCornetmuts   Afbeelding invoegen  snelzeiker

 

Wordt voortgezet

(UA-31898617-1)60035425