Uit het leven van
Sint-Antonius Abt
Antonius was bij alle mensen geliefd. Zelf onderwierp hij zich oprecht aan de goede mannen die hij bezocht, en hij bemerkte waar elk hem voorbijstreefde in ijver en ascese. Hij zag bij de een beminnelijkheid, bij de ander de onophoudelijkheid van het gebed. Hij observeerde bij de een de afwezigheid van woede, bij de ander menslievendheid. Hier trok de een zijn aandacht omdat hij waakte, en daar de ander omdat hij studeerde. Hij bewonderde de een om diens volharding, de ander om zijn vasten en slapen op de grond. Hij constateerde bij de een zachtmoedigheid, bij de ander lankmoedigheid. Hij bemerkte de vroomheid jegens Christus en de liefde jegens elkaar die allen bezielden.
Daarvan vervuld keerde hij dan terug naar zijn eigen plek waar hij zich aan de ascese wijdde. Daarna beijverde hij zich ervoor om de eigenschappen die hij bij elk van hen gezien had in zichzelf te verenigen en verlangde ernaar bij zichzelf de deugden van allen zichtbaar te maken.
Hij was jegens zijn leeftijdsgenoten niet afgunstig, op één punt na: hij moest niet hun mindere lijken als het ging om de hogere dingen.
En hij deed het zo dat hij er niemand verdriet mee deed, maar dat de anderen zich over hem verheugden.
Alle mensen uit zijn dorp en de goede mannen met wie hij intiem omging, noemden hem, als ze zagen dat hij zo'n soort man was, de ‘door God geliefde’, en sommigen groetten hem als hun zoon, anderen als hun broer.
(Uit de Vita Sancti Antonii, geschreven door Athanasius, Bisschop van Alexandrië in
356—362 n. Chr.)






